Klein Brittannië
19 juli 2026 - Roscoff, Frankrijk
Wat een luxe. Hordes mensen hier die Engels spreken. De bakker, de café eigenaar, de boekhandelaar, de restauranthouder. Geen probleem. Ik spreek best een mondje Frans, maar als een Fransman in zijn moerstaal terug begint te ratelen haak ik al snel af. Hier in Bretagne kan ik gewoon een gesprek in het Engels voeren.
Interessant, want dat ben ik in Frankrijk niet gewend. De oorzaak kan niet alleen het toerisme zijn, die vind je in alle delen van het land. Het is de nabijheid van grote broer Brittannië natuurlijk. De twee zijn nauw verwant. Als wij het woord ‘Groot-‘ niet zouden gebruiken om de Britse eilanden te benoemen, zou je in de Nederlandse taal het verschil tussen de twee Brittannië ’s niet eens horen.
Wie de geografie het Franse Bretagne bekijkt snapt de nauwe connectie tussen de twee.
Boven op de Roc’h Trevezel, ongeveer het hoogste punt van de streek overzie ik het omliggende landschap. Ruig hoor. Mooi. Pak de kaart erbij en je ziet dat de heuvels van Bretagne best een barrière vormen vanuit het centrum van Frankrijk .
Over zee daarentegen ben je zo in Engeland. En daar helpt de afstand ook bij. Menig Nederlander vergist zich zomaar in de reis naar het Franse schiereiland: het is verder rijden dan je zou denken. En dat geldt verhoudingsgewijs ook voor de afstand tot Parijs. Van de Franse hoofdstad naar Brest is driemaal zo ver dan van Brest naar Plymouth aan de Engelse kust. Bretagne lag altijd al in de periferie van het centrum van de Franse macht.
De vele beschutte baaien aan de Bretonse kust leverden daarentegen een veilige landingsplaats voor de scheepjes die uit het zuiden van Engeland kwamen aanvaren. Moet je zien, die lieflijke rondingen van de strandjes tussen de ruige rotskust.

En zo werd Bretagne in de vroege middeleeuwen op vriendelijke wijze gekoloniseerd. Vooral door lieden uit Wales en Cornwall. De kolonisten namen hun eigen naam mee voor de streek: Bretagne dus. En ze namen ook hun Keltische taal mee, die zou verworden tot het Bretons. Lang wist die taal stand te houden. Want Bretagne kon door de rivaliteit tussen Engeland en Frankrijk de gehele middeleeuwen een onafhankelijk gebied blijven. Tot het in de zestiende eeuw definitief onder de Franse kroon kwam. Langzaam maar zeker rukte de Franse taal op ten koste van het Bretons.
Maar de taal raakte niet uitgestorven. Iets waar de inwoners van Bretagne nog steeds blij om zijn. Onderweg zie je overal wegwijzers en plaatsnaamborden in twee talen. Ook de Bretonse naam voor Bretagne: Breizh lees je overal.
Volgens de UNESCO wordt de Bretonse taal met uitsterven bedreigd. Nog maar zo’n 100.000 mensen spreken het. Aan de andere kant stelt de regionale overheid dat een of de vijf inwoners de Bretonse de taal begrijpt en van verdwijnen geen sprake is. Nieuwsgierig geworden luister ik een stukje gesproken tekst in het Bretons. Een onverstaanbaar vocabulaire met een duidelijk Franse tongval. Die eigen taal van kleinere regio’s in Europa fascineert me telkens weer.
Al eerder schreef ik over gebieden in Europa die hun eigen taal proberen te behouden. Zoals in de Valle d'Aosta in Italie, op het Franse eiland Corsica en in het Duitse Sorbenland.
Ook in Bretagne doet men er van alles aan om de taal te behouden In Morlaiz (Montroulez in het Bretons) wandel ik langs het instituut ter bevordering van de Bretonse taal. Op sommige speciale basisscholen wordt tegenwoordig het Bretons onderwezen.
Ik ga een kleine historische geografische verkenning van Bretagne doen aan de hand van een paar Bretonse woorden: Sant, Ploug, Menhir en tot slot Penn a Bed.
Sant betekent heilige. Kolonisten staken niet alleen het Kanaal over om een nieuw bestaan op te bouwen, ze kwamen ook om het christelijke geloof te brengen. Wij hebben onze Bonifatius en Willibrordus, hier hebben ze er ook heel wat.
Ergens rond de 5e en 6e eeuw stichtten deze zeven monniken uit Cornwall en Wales elk een bisdom in Bretagne, zo gaat het verhaal. Dankzij hen komt Bretagne aan plaatsnamen als Saint-Malo (Sant-Malou in het Bretons) en Sant-Brieuc (Sant-Brieg). Nog steeds worden deze heiligen en hun Bretonse opvolgers vereerd in de vele kerken die het schiereiland rijk is. Laat ik eens twee van hen bij de kop nemen.
Eerst maar Saint Samson (of Sant Samzun). Amper in Bretagne aangekomen tref ik zijn nalatenschap al in het kleine middeleeuwse stadje Dol en Bretagne. Hier stichtte hij zijn bisdom en ligt hij begraven. Het stadje eert hem met een klein standbeeld in de hoofdstraat. En elders in de regio vindt je een dorp naar hem vernoemd.
De tweede kun je bijna letterlijk bij de kop nemen. Want zijn schedel ligt als relikwie in de kerk. Saint Aurelien (of Sant Paol Aorelian) stichtte zijn bisdom in Saint Pol de Léon aan de Bretonse kust. Beide Bisschoppen kenden elkaar uit de tijd dat ze in het klooster op Caldey eiland verbleven, voor de kust van zuid Wales. Niet ver van Bretagne dus.
Saint Aurelien schijnt op het eiland Batz, voor de kust van Bretagne de bewoners bevrijd te hebben van een nare draak die hen lastig viel. Op dit eiland stierf hij ook ( niet vanwege die draak hoor). Als bedankje en herinnering werd er een kerkje in zijn eer gesticht. Voor mij als fan van eilanden een mooie aanleiding het te bezoeken. En ik ben niet de enige. Isle de Batz is een typische bestemming voor zomerse toeristen. Bootjes varen af en aan om hen en mij in een kwartiertje over te zetten.
Al sinds de opkomst van het verschijnsel toerisme is dit eiland populair. Op een veilingsite vind ik een ansichtkaart uit 1903 met daarom een uitgebreide beschrijving van een blij verblijf op Ilse de Batz gericht aan een kennis in Parijs. Moet je het beeld van 123 jaar geleden eens naast de blik op de haven nu leggen: veel gelijkenis he?
De ruïne van het kerkje ligt aan de oostzijde van het eiland, Een kwartiertje fietsen vanaf de haven. Ruïnes van kerken iets mystieks. Alsof de wind de gebeden heeft weggewaaid.
We hebben het aan de Vikingen die in de negende eeuw dit eilandje bezochten te danken. Ze sloegen de boel kort en klein. De herinnering aan de heilige wisten ze niet te wissen. Kijk maar in de kleine nis achterin de kerk ruïne: veilig achter tralies heeft men een beeld van Saint Aurelien geplaatst.
Ook elders in van Bretagne stichtten bisschoppen van over het Kanaal en hun Bretonse opvolgers parochies. In het Bretons is een parochie een ´plou’. Daar hebben we het tweede woord Bretons dat mijn historisch-geografische trip door Bretagne kleurt. De Britse immigranten namen het woord mee. Het betekent zoveel als plebs, of plaats met christenen: parochie. Plougonven, Plougastel, Plouigneau, maar liefst 150 plaatsen beginnen met plou of een variant daarop.
Zoals aangekondigd pik er nog een Bretons woord uit: Menhir. ‘Men; is steen, ‘hir’ is rechtopstaand. Duidelijk he? Je treft die dingen door half Europa , maar Bretagne mag het woord claimen. Al hebben vooral Asterix en Obelix voor bekendheid van die dingen gezorgd.
En er zijn er hier in Bretagne niet weinig. De meest beroemde, die van Carnac zie ik deze reis niet, maar wat dacht je van die Menhir de Champagne-Dolent bij Dol en Bretagne. Dat ding is 10 meter hoog. Zal ook indruk op de kersverse bisschop gemaakt hebben. En hij zal het als een teken van herkenning hebben gezien, want in Wales heb je er ook genoeg.
Tijd voor het laatste Bretonse woord: Penn a Bed, wat zoveel betekent als eind van de wereld. Daarom heet deze streek ook Finistère. In het Cornish, waar het Bretons uit voortkomt zeggen ze Pedn an Wlas. En de Engelsen hebben dat weer in hun eigen taal omgezet: Lands End.

















